Wennen aan crisis?

Economische en financiële crisissen, een ellenlange tunnel zonder licht aan het einde? Ja, tenzij het kapitalisme op de schop gaat. Want een systeem dat steeds meer produceert terwijl onze koopkracht achterop hinkt, dat moet wel blijven fout gaan.

Sinds 1825, toen de eerste algemene crisis uitbrak, loopt het inderdaad zo ongeveer elke tien jaar spaak met de gehele industrie- en handelswereld […]. De circulatie stagneert, de markten worden overspoeld, de producten blijven liggen, even talrijk als onverkoopbaar, het bare geld wordt onzichtbaar, krediet verdwijnt, de fabrieken liggen stil, de arbeidende massa’s hebben een tekort aan levensmiddelen omdat ze te veel levensmiddelen hebben geproduceerd; het ene bankroet volgt het andere, de ene gedwongen verkoop op de andere.

De stagnatie duurt jaren, productiekrachten en producten worden op grote schaal verspild en vernietigd, totdat de opgestapelde warenmassa eindelijk wegvloeit, met meer of minder waardeverlies, totdat productie en ruil geleidelijk weer op gang komen.

Geleidelijk versnelt deze gang van zaken, hij geraakt in draf, de industriële draf gaat over in galop en deze versnelt op zijn beurt tot de teugelloze carrière van een volbloed steeple-chase van industrie, handel, krediet en speculatie, om, na de meest halsbrekende sprongen, uiteindelijk weer terecht te komen in de greppel van de crash. Opnieuw en opnieuw. Dat hebben we sinds 1825 vijf keer beleefd en beleven we op dit ogenblik (1877) voor de zesde keer.

[...] In crises komt de tegenstrijdigheid tussen maatschappelijke productie en kapitalistische toe-eigening tot gewelddadige uitbarstingen. De warencirculatie wordt tijdelijk gestopt: het circulatiemiddel, geld, wordt een belemmering voor de circulatie; alle wetten van de warenproductie en de warencirculatie worden op hun kop gezet.

Friedrich Engels - De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap (1880)

In het kapitalistische systeem zijn economische crisissen dagelijkse kost, met desastreuze gevolgen voor een groot deel van de bevolking: verslechterde levensomstandigheden, werkloosheid, toenemende armoede en steeds minder toegang tot basisbehoeften zoals huisvesting, onderwijs en gezondheid. Marx toonde de rechtstreekse link aan tussen die crisissen en de werking van het systeem zelf.

In de markteconomie probeert elk bedrijf de winst te maximaliseren. Je moet immers winst maken om te kunnen investeren, de productie te perfectioneren en de winst nog verder op te voeren. Dat is niet de vrije keuze van het bedrijf, door de concurrentiestrijd is dit een kwestie van leven of dood. Elk bedrijf moet proberen om marktaandeel van zijn concurrenten af te snoepen. Elk bedrijf wil de laagste productiekost en investeert dus in innovatieve technologieën en machines - zodat minder arbeidskrachten nodig zijn - , voert de arbeidsduur en/of het werkritme op, of verlaagt zelfs de lonen. Voor elke individuele kapitalist mag dat dan wel logisch lijken, op wereldschaal gezien is dit echt onzinnig: de productiecapaciteit groeit veel vlugger dan de consumptiecapaciteit van de bevolking. Tal van bedrijven kunnen hun productie niet meer slijten (overproductie) en ook de productiemiddelen waarin ze geïnvesteerd hebben kunnen ze niet meer ten volle benutten (overcapaciteit). Dat leidt tot faillissementen, sluitingen, herstructureringsplannen en dus tot nog meer werkloosheid, waardoor er nog minder geconsumeerd wordt en het hele systeem in een crisis belandt, een overproductiecrisis.

In Het Communistisch Manifest, gepubliceerd in 1848, antwoordde Marx al op de vraag hoe de bourgeoisie zich van die crisissen herstelt: “Enerzijds door met geweld een massa productiekrachten te vernietigen en anderzijds door nieuwe markten te veroveren en de oude markten maximaal uit te buiten. Welke gevolgen heeft dat? Het is de opstap naar crisissen die nog wijder om zich heen grijpen en nog harder toeslaan.” Faillissementen, bedrijfssluitingen, overnames en fusies versterken de concentratie en de macht van een klein aantal grote multinationals en banken. De economische strijd woedt uiteindelijk ook op internationaal vlak, met de verovering van nieuwe markten op andere continenten, altijd op zoek naar meer winst. Die handelsoorlog, die economische oorlog zou wel eens kunnen uitdraaien op een echte oorlog. Een wereldoorlog zelfs, zoals we die in de loop van de geschiedenis al verschillende keren hebben meegemaakt.

Marx legt uit hoe crisissen in het kapitalistisch systeem ingebakken zitten en dus onvermijdelijk zijn. We zouden kunnen stellen dat crisissen voor het kapitalisme zowat de normale gang van zaken zijn. Dat merken we vandaag heel goed, sinds 1973 kennen we een bijna onafgebroken economische crisis.

Een zware crisis, die al sinds 1973 aansleept

Als we de wereld bekijken aan de hand van de instrumenten die Marx heeft ontwikkeld, zien we dat de huidige economische crisis in 1973 is ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de heropbouw in volle gang was en de economie gestaag groeide, deden de grote bedrijven enorm veel investeringen. Ze hadden maar één ding voor ogen: hun productiviteit, productie en marktaandeel vergroten. Ze investeerden zoveel dat er een enorme overcapaciteit ontstond, en voor de geproduceerde goederen werden geen afzetmarkten meer gevonden, al nam de koopkracht bij een groot deel van de bevolking toe. De prijsstijging van de aardolie in 1973 stak de lont in het kruitvat.

In de jaren 1970 begonnen dan ook de grote herstructureringen die leidden tot bedrijfssluitingen en massale ontslagen. In België was dat onder andere voelbaar in de mijnen, de staalindustrie, de scheepswerven, de glassector en de textiel. In tien jaar tijd steeg de werkloosheid in België van honderdduizend naar zeshonderdduizend werklozen, en sindsdien is dat aantal nooit meer gevoelig gedaald. Hoe reageerde het kapitalistisch establishment? Niet alleen met de klassieke maatregelen – herstructureringen, privatiseringen, een intensere neokoloniale onderdrukking en uitbuiting –, ze dereguleerden ook de financiële wereld en stimuleerden de kredietverlening op een nooit geziene manier. Zo creëerden ze fictieve consumptiecapaciteit, waardoor ze een deel van de crisis voor zich uit konden schuiven. Ze verstopten de crisis achter bubbels die almaar groter werden. In de jaren 1980 en 1990 wezen de opeenvolgende financiële crisissen erop dat niets echt geregeld was. Maar het zou nog tot 2008 duren voor dit duidelijk aan het licht kwam. De zogenaamde bankencrisis deed de zeepbellen uiteenspatten en stortte de hele economie in een recessie. Werkende mensen voelen de balans van de crisis bijzonder zwaar.

In 2008 telde de Europese Unie 16 miljoen werkzoekenden, vandaag zijn ze met 21 miljoen. Tussen 2005 en 2014 zagen in de rijke landen 65 tot 70 procent van de huishoudens hun reële inkomen dalen. Van meer dan 540 miljoen mensen is het inkomen gedaald of gestagneerd. Dat betekent dus weer een verminderde consumptie. Neen, we zijn nog lang niet thuis...

Foto Solidair, Sophie Lerouge


Schrijf als eerste een commentaar

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.