De crisis van het kapitalisme

In 2008 zag het er uit als een financiële crisis. In werkelijkheid sluimert er al sinds 1973 een crisis van overproductie. En dat is een heel verschil.

Crisis van overproductie

Elke kapitalist wil winst maken en elk jaar liefst meer dan het jaar voordien. Als hij enigszins kan, breidt hij daarom zijn productie uit. Hij wil ook meer verkopen dan zijn concurrenten, hij wil zoveel mogelijk van hun marktaandeel inpalmen. Dat kan hij alleen als hij goedkoper produceert. Daarom moet hij de loonkosten voortdurend verlagen, met minder arbeidskrachten en met meer machines werken... Allemaal maatregelen die de koopkracht doen dalen. Maar als de koopkracht daalt, beschikken de consumenten niet meer over voldoende middelen om al die producten te kopen, waardoor er overproductie ontstaat.

In het kapitalisme kennen de mensen miserie omdat er een teveel is.

Dat is in een notendop de fatale tegenstelling die het kapitalisme altijd weer naar crisis drijft: de tegenstelling tussen ‘steeds meer productie’ en ‘steeds minder koopkracht’ op wereldvlak. In vroegere eeuwen ontstonden hongersnoden door tekorten, in het kapitalisme kennen de mensen miserie omdat er een teveel is: het kapitalisme creëert overproductie (er worden veel meer producten gemaakt dan er verkocht worden) en overcapaciteit (de fabrieken kunnen meer maken dan ze effectief doen. Er blijft capaciteit onbenut, bijvoorbeeld door tijdelijke werkloosheid).

2008: er is meer aan de hand dan alleen een financiële crisis

De overproductie bestaat al tientallen jaren, maar het kapitalisme heeft die tot enkele jaren terug weten op te vangen door een kunstmatige vraag te creëren, door de koopkracht te verhogen met leningen en kredieten. Met andere woorden: het kapitalisme leefde boven zijn stand. Of vergelijk het met de doping van een wielrenner. Hij slaagt er een paar jaar in om een berg in veertig minuten te beklimmen in plaats van in een uur, maar dan werkt het plots niet meer, zijn gezondheid stort in en hij doet opnieuw een uur of zelfs meer over diezelfde col. Het kapitalisme is een economisch systeem dat zich dopeert met schulden, die het aangeboden krijgt van de financiële markten.

In 2008 stortte dat systeem totaal in elkaar: de schulden konden niet meer afbetaald worden. De financiële sector kwam aan de rand van de afgrond te staan, de staten moesten met massaal veel overheidsgeld en met overnames een aantal grootbanken redden. Zo werd de crisis van overproductie een financiële crisis en vervolgens een crisis van de staten die zich zwaar in de schulden moesten steken. Om die schulden af te betalen laten de regeringen nu hun bevolkingen inleveren en snoeien ze in de sociale voorzieningen en in de openbare dienstverlening. Dat is wat we de laatste drie jaar hebben meegemaakt.

Tot 2008 werd het geproduceerde goederenvolume gekocht door de koopkracht aangevuld met krediet. Na 2008 valt dat krediet weg en restte er niets anders dan de productie in overeenstemming te brengen met de reële koopkracht.

Is daarmee de crisis opgelost? Verre van. De inleveringen en bezuinigingen tasten de koopkracht verder aan en verscherpen op die manier nog de crisis van overproductie. Het is een impasse, zo vindt ook Roubini, de econoom die de crisis van 2008 voorspelde: “Tot vorig jaar konden ze nog telkens een konijn uit de hoed toveren. Fiscale stimuli, de rentevoet van bijna nul… alles is geprobeerd (om de koopkracht op te drijven, n.v.d.r.). Nu zijn de konijnen op.” (Capitalism doomed? Project syndicate, 15/8/2011)

Zoals in 1930?

De periode van overproductie (en overcapaciteit) duurt al van de jaren 70. Om uit de crisis te geraken moet het kapitaal de totale productiecapaciteit in overeenstemming brengen met de reële koopkracht. Dit kan alleen door “het gewelddadig vernietigen van een massa productiekrachten”, zei Karl Marx al in zijn Communistisch Manifest dat hij schreef samen met Friedrich Engels. We staan voor een lange ‘afslankingsperiode’ met een groeiende economische achteruitgang, nog meer sluitingen van fabrieken, verhoogde werkloosheid en miserie voor de werkende bevolking. De vorige crisis van overproductie dateert van het einde van de jaren 20. Ook toen probeerde het kapitaal de consumptie kunstmatig hoog te houden. Dat leidde tot de beurscrash van 1929. De volgende jaren sloeg de recessie hevig toe, met de sluiting van talloze fabrieken, enorme werkloosheid en diepe miserie voor de werkende bevolking tot gevolg.  De ‘afslankingsperiode’ met zijn ‘gewelddadige vernietiging van productiekrachten’ werd afgesloten met de Tweede Wereldoorlog.


Nouriel Roubini: “Marx had gelijk"

“De uiteindelijke oorzaak van elke crisis ligt altijd in de armoede en de beperkte consumptie van de mensen tegenover de ongebreidelde kapitalistische productie.” (Karl Marx, Het Kapitaal

Nouriel Roubini

Nouriel Roubini, de econoom die de crisis van 2008 voorspelde, schrijft: “Marx had gelijk. In zeker opzicht vernietigt het kapitalisme zichzelf. Je kunt niet inkomen blijven verschuiven van arbeid naar kapitaal zonder dat er een overcapaciteit ontstaat en een tekort aan vraag. Dat is wat gebeurt. We dachten dat markten werkten. Ze werken niet. Het individu kan rationeel zijn en het bedrijf kan om te overleven zijn arbeidskosten meer en meer omlaag duwen. Maar de arbeidskosten zijn het inkomen en de consumptie van iemand anders. Daarom is het een zelfvernietigend proces.” (The Wall Street Journal, 12/8/’11)

Karl Marx“Waardoor overwint de burgerij de crisissen? Enerzijds door de gedwongen vernietiging van een massa productiekrachten, anderzijds door de verovering van nieuwe markten en de nog grondiger exploitatie van de oude markten. Waardoor dus? Door algemener en geweldiger crisissen voor te bereiden en de middelen om crisissen te voorkomen te verminderen.”
(Karl Marx, Communistisch Manifest) 

(Foto Nouriel Roubini: Stephen Jaffe / IMF)


Een ander systeem is mogelijk: een systeem gebaseerd op de noden van de mensen

Vandaag beslist een multinational pas iets te produceren als daar genoeg winst uit te halen valt. Zo creëren ze crisissen van overproductie, zoals iedereen vandaag kan zien. Grote bedrijven zijn bezorgd om hun winst, niet om de mensen. Ze hebben dollartekens in hun ogen als ze auto’s, energie, telefoons… produceren, of luxeproducten en gadgets. En brengt dat niet genoeg op, dan produceren multinationals niet meer, maar trekken ze naar de beurs. Om er te speculeren op vastgoed, op voeding, op de staatsschulden. Ziedaar de verklaring waarom nuttige geneesmiddelen die niet genoeg opbrengen, eenvoudigweg niet gemaakt worden. Producten die snel verslijten zijn dan weer erg populair: de consument is toch verplicht er regelmatig nieuwe te kopen. In naam van de winst blijven multinationals ook asbest gebruiken of commercialiseren ze medicijnen waarvan de bijwerkingen dodelijk zijn.

Maar een ander economisch systeem is mogelijk: een systeem waarin men produceert in functie van de echte noden van de mensen. Die insteek laat ruimte voor beslissingen die niét tot overproductie en de daaruit volgende crisissen leiden. Meer zelfs, als we ons op die reële noden zouden concentreren, zal ook de productie zich aanpassen. Er zouden niet méér auto’s op de markt komen dan nodig is, en er zou heel wat minder afval geproduceerd worden. Wetenschappers zouden geneesmiddelen produceren omdat ze nuttig zijn. Schadelijke bouwmaterialen zouden niet meer gebruikt worden. Zo’n systeem zou ook een halt toeroepen aan het feit dat de toenemende welvaart van een kleine groep hand in hand gaat met de vermindering van de koopkracht voor de grote groep.

En daar zit het ‘m precies: we hebben een systeem nodig dat de mensen op de eerste plaats zet en niet de winst .

Een ander systeem is mogelijk: een democratische planning

Vandaag beslist elk bedrijf zelf wat het produceert. Bedrijven gaan de concurrentie aan met andere bedrijven. Werknemers worden uitgespeeld tegen werknemers van de andere bedrijven om het eigen bedrijf te laten ‘winnen’. In een maatschappij waarin alles draait om de winstzucht en het belang van een kleine minderheid, kun je nooit de dingen doen die voor een rechtvaardige en democratische maatschappij echt nodig zijn.

Bij belangrijke economische beslissingen is er niet het minste respect voor de democratie van het volk, wel voor de aandeelhoudersdemocratie. Hoe die werkt? Eén aandeel, één stem. Drie en een half miljoen aandelen, drie en een half miljoen stemmen.

We hebben een echte democratie nodig met een actieve participatie. Inspraak gaat dan niet alleen over het verkiezen van vertegenwoordigers, die dan al dan niet verantwoording afleggen over wat ze doen. En dat is wat anders dan nieuwe dure beloften zweren in alweer de volgende kiescampagne. Inspraak gaat over het mee kunnen bepalen van de prioriteiten. En over de toewijzing van de middelen.

Daar gaat democratie over. Inzage toelaten in de rekeningen van de bedrijven en die controleren, kunnen discussiëren over het doel van de productie, de bedrijfsleiding verkiezen en ze eventueel kunnen afzetten.

Dan kan er nagedacht worden over de doelstellingen van de productie. Dan kunnen we overproductiecrisissen en verspilling vermijden. En dan kan ook het milieu gerespecteerd worden. Het debat over de omslag naar een koolstofarme economie, bijvoorbeeld, kan dan zonder hypocrisie worden gevoerd, want de lobbytentakels van de Goliaths van de energie, van de chemie en van de petroleumsector zullen dan niet meer achter de schermen het debat bepalen.

De grootste vervuilers zullen de kleine man niet langer voor de vervuiling kunnen doen opdraaien. Er zal een sociale basis zijn zodat gezinnen ook inspanningen kunnen doen voor energiebesparing en isolatie, zonder dat ze moeten inleveren op gezondheidszorg, onderwijs of pensioen.

Dit artikel komt uit het magazine Solidair van 22 september 2011. Abonnement


1 reactie

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.
  • Nick Dobbelaere
    publiceerde deze pagina in Nieuws 2018-04-27 10:47:21 +0200